Appenzeller sennenhond

AD

De Appenzeller sennenhond staat in rasgroep ?? van de FCI lijst.

  • Kleur:
  • zwart, chocolade bruin,

  • Vacht:
  • Stokhaar, stevig, glanzend

  • Herkomst:
  • Zwitserland

  • Schofthoogte:
  • 50 tot 54 cm

  • Gewicht:
  • 25000 tot 32000 Gram

Appenzellers zijn de werkaholics onder de Sennenhonden. Met hun vrolijke heldere blaf zorgen zij er voor dat ze worden opgemerkt. Hun enthousiasme moet in goede banen geleid worden en veel contact met de baas is nodig om er een evenwichtige kameraad van te maken. Appenzellers zijn niet geschikt als kennelhond.

Karakter

De Appenzeller is een zeer oplettende en alerte hond met een pittig en levendig temperament. Hij is erg wantrouwend en komt zelfverzekerd over. Dus aanhalen is in het begin erg onverstandig, negeren en afwachten is bij deze honden het beste. Hij is van een gemiddelde hardheid, verdraagt echter geen harde aanpak maar vraagt als het ware om een consequente en duidelijke opvoeding en leiding, anders neemt hij zeer snel zelf de touwtjes is handen.

Uiterlijk

De Appenzeller lijkt zoals eerder al gezegd veel op zijn familie de Berner sennenhond. Het enige verschil tussen de twee rassen is dat de Appenzeller kortharig is. De Appenzeller Sennenhond is de op een na kleinste sennenhond. De vacht van de Sennenhond is altijd driekleurig, met als grondkleur zwart of havannabruin. Typisch voor de Appenzeller is de gekrulde staart.

Verzorging

Dit ras valt onder herdershonen en heeft dus veel beweging nodig. Ze zijn vol energie en moeten deze energie dus met regelmaat kwijt kunnen. Dagelijkse wandelingen en speel beurten zijn dus een must. Ze hebben een korte vacht met onderwol dus in de ruibeurten is het nodig om hem dadelijks enkele keren te borstelen.

Geschiedenis

De stamboom van de Appenzeller Sennenhond is al tweeduizend jaar oud. Toen trokken Romeinse legers naar het noorden. Ze namen grote, zware doggen mee om het meegebrachte vee op te jagen. Naarmate de reis vorderde, werden de kudden kleiner en de honden bleven in de Zwitserse dalen achter. Uit deze honden ontwikkelde zich plaatstelijke varieteiten, die door de boeren voornamelijk als veedrijver, herders-, trek- en waakhond werden gebruikt. Hun gemeenschappelijke naam werd Sennenhond (alpenhond).